Marcel van Eeden


Henk Abma



Al tien jaar lang maakt Marcel van Eeden elke dag een tekening (19 x 14 cm) naar foto's uit de tijd vóór zijn geboortejaar 1965. Archiveerde hij aanvankelijk alleen Den Haag, later verbreedt zich de horizon, zoals hij zichzelf sinds kort soms ook het dubbele formaat gunt. De fluwelen toon van het Negropotlood en het ontbreken van kleur doen de tekeningen ouder lijken dan ze zijn. Nostalgie, romantiek, figuratie: alles wat in de hedendaagse kunst taboe is, wordt met veel raffinement en onbedwingbaar tekenplezier uit de kast gehaald. De Katholieke Illustratie, De Lach, Märklin-catalogi, vergeelde kranten, inmiddels klassiek geworden performances, reclame, binnenhuis-architectuur, de stand van de sterren, het design van behang, speelgoed: alles komt in zijn kraam van pas.

De welwillende aandacht voor dit werk komt niet uit de lucht vallen. Boekjes met beelden, feiten en verhalen uit onderscheiden geboortejaren worden gretig verkocht. Geuren en geluiden zijn associatieve dragers van herinnering, maar ook een straat kan als zodanig fungeren: aan de voorgevels, tussen de gordijnen/ blijft ge doorlopend uit het niet verschijnen (Achterberg). De stad waarin ik met mijn, te jong gestorven boezemvriend, jarenlang jacht maakte op boeken en bier, verdichtte zich achter in de tuin tussen het riet op een roestige stalen plaat: tast ik / gevels en gezichten af / op zoek naar wat / van jou nog / rest. Foto's van Breitner bieden de vreemde sensatie om met zijn ogen in een voorbije wereld te kijken. Van Eeden doet iets dergelijks in omgekeerde richting, zoals Rutger Kopland in de cyclus Beekdal commentaar geeft bij oude foto's:

de gezichten van blinden, niet wetend
hoe ze worden gezien, argeloos. kijkend
naar hun eigen geheim.(...)
Die hele volmaakte wereld die er moet
zijn - het volmaakt onvindbare antwoord
op de vraag welke wereld dat is.

Tien jaar elke dag een tekening: daarbij kon het natuurlijk niet blijven. Verspreide uitlatingen van de kunstenaar groeien in catalogi en kunstbeschouwingen uit tot een mythologische wolk van getuigen, die het werk op den duur overschaduwt of op z'n minst secundair dreigt te maken. Het belangrijkste, steeds terugkerende kristallisatiepunt is een uitspraak van de kunstenaar over de wereld die hij in kaart brengt: hij was toen dood, dat wilzeggen overal en nergens aanwezig. In deze symbiotische fantasie wisselen almacht en onmacht zich af. Het eerste, omdat hij zich het onbekende herinnert, greep heeft op de tijd en de dingen naar zijn hand zet. Het tweede, omdat de mislukking bij voorbaat vast staat of zoals Achterberg- aan wie het obsessieve karakter van de hele onderneming sterk doet denken- schreef: met dit gedicht vervalt het vorige, ik ben mijn eigen onderhorige.

Ondertussen heeft Van Eeden in dit eigenhandig geschapen paradijs geestverwanten ontmoet. Sein zum Tode. Maar ook Schopenhauer: "Als het de gedachte aan het niet-zijn was, die de dood zo verschrikkelijk doet lijken, dan zouden we met evenveel huiver moeten denken aan de tijd dat we er nog niet waren. Want het is onomstotelijk zeker dat het niet-zijn na de dood niet verschillend kan zijn van het niet-zijn voor de geboorte." Radicaler nog, in de bijbel, de stem van de sceptische Prediker: "Beter is de dag van je dood, dan de dag van je geboorte"(7,1). Maar elke uitspraak verbleekt bij de roetzwarte provocaties van de metafysische anarchist E.M. Cioran: 'Je voortdurend verplaatsen in een wereld waarin niets zich nog verlaagde tot het opdoemen, waarin men het bewustzijn voorvoelde zonder het te wensen, waarin men, zich rondwentelend in het potentiële, genoot van de nietige volheid van een ik, die aan het ik vooraf ging. () In zijn diepste innerlijk streeft de mens ernaar terug te keren naar de situatie waarin hij voor het bewustzijn verkeerde. De geschiedenis is slechts de omweg die hij maakt om dat doel te bereiken."

Op deze expositie oogt de reeks tekeningen van Van Eeden op het eerste gezicht als een uitzondering op de regel, dat het niet gaat om illustraties bij het gedicht Awater. Inmiddels moeten we die indruk terugnemen: Marcel van Eeden is geen Anton Pieck. Ook zijn bijdrage is een interpretatie van het gedicht en onderdeel van een oeuvre dat op eigen benen staat. Van Eeden interpreteert Awater vanuit de stationsscène. Hij meent dat Awater hier is afgedaald in de Hades.Het reisbureau in de derde scène wijst daarnaar vooruit. Geen beschaving wist zo trefzeker een voet tussen de deur naar de dood te krijgen als Egypte. De aanwezigheid van zoveel mensen - toeristen met rugzakkken, kinderen en arbeiders in blauwe werkpakken - rond middernacht op een met flambouwen verlicht plein ervaart hij als angstaanjagend. Bovendien zegt de heilsoldate wel dat wij leven, maar we doen het helemaal fout. Anders gezegd: de tocht van Awater loopt parallel aan die van de kunstenaar, die zich op papier toegeng verschaft tot het dodenrijk. De ik-figuur, die een groot gemis moet verwerken, volgt Awater in een poging om het verlies ongedaan te maken. Van Eeden ziet in Awater, die ook nog boekhouder is: magere Hein. De ik-figuur in het gedicht hecht echter wel degelijk aan het leven: er ligt post thuis, ik heb de werkvrouw nog niet gezegd dat ik op reis gaan zou, mijn raam staat aan, er brandt vuur in de schouw (7,219-221). Zodra Awater, die de pas heeft ingehouden omkijkt als kent hij mij vanouds (7,238) wordt de betovering evenals bij Orfeus doorbroken. Zoals de ik-figuur in het leven terugkeert, voegt ook de interpretatie van Van Eeden zich weer naar die waarover consensus bestaat.

Eerst nu kan ik mijn argwaan verlaren jegens het zwar(t)e filosofische kader waarin het werk van Van Eeden wordt gepresenteerd of bekeken. Het is even onbevredigend als de pogingen om de hele Achterberg te lezen als een Veluwse variant op Gustav Jung en doet afbreuk aan het werk, omdat het een niet te dragen last krijgt opgelegd. Voor een meer eerlijke visie op het werk van Van Eeden wijs ik, zij het in dit bestek uiterst summier, op drie soortgelijke ondernemingen in de literatuur: onafhankelijk van elkaar geschreven, stuk voor stuk bekroond en - in dit verband niet onbelangrijk - in twee gevallen voorzien van foto's die qua sfeer en thematiek onmiddellijk aan het werk van Van Eeden doen denken.

Om te beginnen noem ik de cyclus weg / verdwenen , die Gerrit Kouwenaar in 1961 publiceerde naar aanleiding van de in dat jaar voltooide sloop van het Paleis-voor-Volksvlijt aan het Frederiksplein in Amsterdam. Wiel Kusters ontvouwde aan de hand daarvan in zijn even lezenswaardige als minutieuze dissertatie de poëtica van de Dichter als De Killer , immers: hij maakt en doodt. Kusters laat zien hoe in dit werk tot in de kleinste details historische feiten bewaard worden en hoe die tegelijkertijd een hommage zijn aan de vader van de dichter, David Kouwenaar, NRC-journalist een kenner bij uitstek van de lokale geschiedenis van Amsterdam. Ook van hem geldt: weg / verdwenen.

Als tweede voorbeld noem ik het verhaal Encyclopedie van de doden van de in Joegoslavië geboren schrijver Danilo Kis. De bundel opent met een aan Georges Bataille ontleend motto: Ma rage d'aimer donne sur la mort / comme une fenêtre sur la cour. Het verhaal laat zich lezen als een la met een jaargang tekeningen van Van Eeden en beschrijft in een droom het leven van Kis' vader tot in de meest absurde details, zoals een reis in de verbeelding door met een loep naar postzegels te kijken als alternatief voor een vakantietrip. Grote namen ontbreken, historische feiten worden uitsluitend opgehaald in hun betekenis voor één persoon: 'elk mens is een eenzame ster, alles gebeurd altijd en nooit, alles herhaald zich tot in het oneindige en alles is eenmalig en uniek.' Kortom: het leven van ieder mens is de samenstellers van deze encyclopedie heilig. Het lemma eindigt met een gestileerde bloem: het basismotief van de flora waarmee de vader in zijn laatste jaren alles beschilderde wat hij te pakken kon krijgen. Drijfnat wordt de schrijver wakker: de bezetenheid met bloemmotieven en de groei van een carcinoom liepen synchroon.

Het derde voorbeeld levert de Hongaarse schrijver Péter Nádas, die tien jaar werkte aan Het boek der herinneringen. De schrijver weet zich 'in het grensgebied tussen leven en dood gedrongen: ik ben hier noch daar. Als het me vergund was geweest vredig en zonder aanblik van doden en lijken van mijn jeugd te genieten, had de lichamelijke liefde me stellig niet zo gevoelig geraakt. () De vereniging met het lichaam van een ander mens beleefde ik als anderen het verlies van een dierbare naaste.' De lijvige roman beschrijft herinneringen van onderscheiden personen uit verschillende tijdsperiodes: ' Al deze personen kon ik zelf zijn, terwijl ik ze toch niet werkelijk was.' Evenals de verwerking van rouw in Awater een moment van plaatsvervanging kent, zo wordt hier met behulp van de fantasie 'andermans pijnlijke onzekerheid doorleefd'en is het de schrijver gelukt 'het collectieve uit het oogpunt van het individuele te beschouwen'. Zodra dit geschiedt, is de situatie van de verteller opgehelderd: hij ervaart harmonie. Als het manuscript gereed is, verschijnt daaronder de datum: 15 april 1985. Dag, maand en jaartal. 'Ik heb geen hang naar mystiek, maar ik kon niet om deze getallen heen. Mijn vader had op 15 april 1958 een eind aan zijn leven gemaakt. Wie heeft wat waarvoor geruild? Ben ik niets anders geweest dan het voorbeeld van mijn vaders wedergeboorte? Ben ik op de dag van zijn dood gestorven en thans herboren? Of werd ik op die dag onherroepelijk tot het leven veroordeeld en blaas ik thans de laatste adem uit?' Nog altijd is het de schrijver niet gelukt om vijfentachtig af te trekken van achtenvijftig.

Met deze voorbeelden probeerde ik recht te doen aan het werk van Marcel van Eeden. Melancholie is meer dan de weg terug. Het is ook: terug naar de weg. En zoals projectie injectie niet uit- maar insluit, zo zijn nostalgie, en romantiek alleen dan een vorm van ziekelijke regressie als er geen progressie in te bekennen valt. De bundel Een lege plek om (zelf) te blijven van Rutger Kopland biedt op de achterflap nogmaals een samenvatting: want anders komen we natuurlijk niet verder.

Henk Abma

Deze tekst verscheen eerder in: 'Nooit zag ik Awater zo van nabij', Stichting Collage/osg Kortenhoef 1997


home: http://www.marcelvaneeden.nl | terug