TekeningenDomeniek RuytersOp het eerste gezicht bieden de kleine tekeningen van Marcel van Eeden een onschuldige weergave van talrijke direct herkenbare taferelen. Bekende oude gebouwen uit Den Haag zijn afgebeeld naast knusse interieurs en nauwkeurig nagetekende modelspoorhuisjes. Er zijn sterrenhemels, bloemen en levensmiddelen te zien, alsmede intrigerende afbeeldingen van medische apparatuur, operaties en raadselachtige recepturen. Alle tekeningen zijn door Van Eeden met een minimum aan middelen in een even zwierige als trefzekere stijl op papier gezet; meestal in zwart-wit met negropotlood en altijd op hetzelfde kleine staande formaat van 19 bij 14 centimeter. De bescheidenheid en intimiteit geven het werk een sympathieke, pretentieloze uitstraling, die in combinatie met de virtuositeit van de uitvoering zeer verleidelijk werkt. In wezen doet het werk zelfs in mate van verleidelijkheid niet onder voor de meest geslepen postmoderne kunst, zij het dat het werk van Van Eeden veel oprechter en integerder lijkt dan bijvoorbeeld de glimmende objecten van Jeff Koons. Maar zoals zo vaak in de kunst uit deze tijd schuilt er ook bij het werk van Van Eeden een addertje onder het gras. De tentoongespreide onschuld en oprechtheid blijken afgegeven onder valse voorwendselen. Nadere studie leert dat het zinnenstrelende werk een donkere schaduwzijde heeft, die maakt dat de toeschouwer die zich heeft laten verleiden door het schone oppervlak, zijn mening al spoedig grondig zal moeten bijstellen. Zoals de consequente samenstelling van het oeuvre doet vermoeden, is Marcel van Eeden verwikkeld in een omvangrijk project, dat naar het zich laat aanzien voorlopig nog niet beëindigd zal worden. Sinds acht jaar is hij bezig met de reconstructie van een tijdvak van enkele tientallen jaren voor zijn geboorte. Uit boeken, tijdschriften en ander publiciteitsmateriaal uit deze periode, die globaal reikt van de late jaren twintig tot aan zijn geboortejaar 1965, ontleent hij bestaande afbeeldingen die hij vervolgens volgens het genoemde stramien van het kleine gelijkblijvende staande formaat, in tekening uitwerkt. Om het archivalische karakter van het project te onderstrepen kiest hij veel verschillende onderwerpen en werkt hij op crème-kleurig papier dat aan het nieuwe materiaal een patina van ouderdom geeft. Daarnaast vermeld hij soms bij wijze van registratie de datum van het afgebeelde historische moment binnen het beeld. De onderwerpen die Van Eeden uitkiest zijn door vrijwel iedereen onmiddellijk te associëren met de recente geschiedenis. Hagenaars zullen bijvoorbeeld in menig afgebeeld gebouw ogenblikkelijk bepaalde inmiddels afgebroken kantoren, woonwijken en ziekenhuizen uit Den Haag herkennen. En de modelspoorhuisjes, inclusief de merkbeelden Märklin en Kibri, zullen ongetwijfeld bij menigeen herinneringen oproepen aan de eigen jeugd. Zelfs de abstracte patronen zijn aan de geschiedenis te verbinden: het zijn vooroorlogse patronen van de beroemde Bergeijkse weverij De Ploeg. Van Eeden tekent het historische materiaal niet blindelings na. Hij manipuleert het en geeft aan het beeld steeds een nadrukkelijk eigen karakter. Aldus zet hij de geschiedenis letterlijk naar zijn hand en maakt haar zich een beetje eigen. Zo verwijdert hij meestal alle sporen van menselijke aanwezigheid uit het straatbeeld en laat complete gedeeltes van de oorspronkelijke afbeelding verdwijnen achter grote zwarte vlekken, als waren het de blinde vlekken van het geheugen. Eigenlijk abstraheert hij de geschiedenis een beetje en maakt haar algemeen geldig. Over blijft een mysterieus, suggestief beeld, dat een historisch moment verbeeldt, zonder dat het precies bepaald is. Het beeld van de geschiedenis blijft voor meerdere uitleg vatbaar. De vraag is nu wat Van Eeden met deze reconstructie beoogt. Vanwaar dit omzien naar een voorbije tijd die de maker zelf niet eens heeft meegemaakt. Op het eerste gezicht lijkt er sprake van een romantisch of nostalgisch verlangen naar een voorbije tijd, toen alles nog mooi en simpel was. Maar van nostalgie kan nauwelijks sprake zijn zolang de maker niet eens weet hoe die voorbije tijd werkelijk geweest is. Het gaat dus meer om een verlangen naar een vroeger moment in abstracte zin, namelijk het historische moment van voor zijn geboorte, toen de maker, zoals hij zelf zegt, nog dood was. In wezen wil Van Eeden de dood zelf portretteren, zij het op een voor kunsthistorische begrippen ongebruikelijke wijze. Waar in de kunstgeschiedenis de dood meestal wordt voorgesteld in dramatische sterfbedscènes, wil Van Eeden zijn eigen dood op een objectieve wijze tekenen: als een encyclopedische doorsnede van het tijdperk van voor zijn geboorte. Met deze objectieve karakterisering van de dood hoopt hij het vermeende geluk van het niet-zijn, ofwel de paradijselijke rust en tegelijkertijd bevrijdende alomtegenwoordigheid in plaats en tijd, ervaarbaar maken. Dit is een mytisch streven, en dat weet Van Eeden. Het niet-zijn kenmerkt zich immers door de afwezigheid van tijd en plaats en laat zich derhalve niet vatten in momentane beelden, zelfs niet in beelden die vaag, oningevuld en voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wat dat betreft moet Van Eedens onderneming ook niet al te letterlijk gezien worden. Zinvoller is het zijn praktijk metaforisch te interpreteren en op te tillen naar een algemeen kunsttheoretisch niveau. De centrale vraag die Van Eeden met zijn streven naar het verbeelden van de dood wil stellen, is de vraag of de mens met een beeld -of taal- iets kan scheppen in de meest zuivere zin van het woord. Zoals veel kunst van deze eeuw zoekt hij dus een antwoord op de vraag of het nog mogelijk is om nieuwe, betekenisvolle beelden te maken, die van invloed zijn op de ons omringende werkelijkheid. Het beeld van de dood, zoals in metaforische zin gehanteerd door Van Eeden, verzinnebeeldt een ultiem idee van de evocatie van een nieuwe werkelijkheid, zoals in zijn werk ook de verbeeldingen van modelspoorbanen, de medische wetenschap en biologie op minder extreme wijze zinspelen op het idee van de creatie van een nieuwe werkelijkheid. Omdat Van Eeden de vraag naar de mogelijkheid van een werkelijk betekenisvol beeld verbindt aan het streven naar een beeld van de dood, wordt echter tegelijkertijd het eigen falen ingecalculeerd. De onderneming wordt met andere woorden al bij voorbaat in twijfel getrokken, aangezien het niet-bestaande zich niet laat vertalen in het bestaande. Dit betekend logischerwijs dat al het bestaande altijd een of andere vorm van verdubbeling is, zoals ook daadwerkelijk het geval bij de nagetekende tekeningen van Van Eeden. Deze typisch postmoderne conclusie impliceert nog niet dat het werk van Van Eeden betekenisloos zou zijn. Het krijgt er wel een negatieve kunstkritische ondertoon door, die doorklinkt in alle experimenten die Van Eeden in zijn onderzoek naar de betekenis van het beeld doorvoert. Zo is zijn manipuliatie van het bestaande beeldmateriaal weliswaar gericht op een poging zich de geschiedenis eigen te maken, maar tegelijkertijd is het een leugenachtige praktijk die het bestaan van algemeen geldende historische feiten ontkent. Leugenachtig zijn ook zijn manipulaties met het beeldmateriaal, dat door de gele kleur de suggestie van ouderdom geeft, maar in werkelijkheid splinternieuw is. Tenslotte is er ook zijn voortdurende bemoeienis met de context waarbinnen het beeld gepresenteerd wordt. De stapelingen een aaneenrijgingen van beelden in zijn presentaties werken nivellerend en maken het bestaan van de beelden uiterst relatief. Ze tonen het beeld niet als een uniek en betekenisvol moment, maar als een oprisping in een voortdurende onderstroom. Op de snelle beoordelaar zal het werk van Van Eeden traditioneel en romantisch overkomen, echter voorafgaande gevolgtrekkingen bewijzen dat Van Eeden zich net als menige tijdgenoot wel degelijk uiteenzet met de actuele vraag naar de positie van het beeld in onze cultuur. Dat zijn coclusies niet zonder zorgen zijn, en zelfs cynisch genoemd kunnen worden, moge duidelijk zijn. Domeniek Ruyters (Deze tekst is afkomstig uit de publicatie "Marcel van Eeden, tekeningen", uitgegeven in 1994 te Den Haag door Galerie Maurits van de Laar. Een iets andere versie van deze tekst verscheen eerder in het Jaarboek 1993, Haags Gemeentemuseum, Den Haag 1994) home: http://www.marcelvaneeden.nl | terug |